De filmindustrie werkt onverdroten verder aan de ontwikkeling van 3D-films, die mensen weer terug naar de bioscoop moeten halen. Hoe staat het ervoor en wat houdt een doorbraak vooralsnog tegen? In het tweede en laatste deel van deze artikelenreeks zetten we het uiteen.
De techniek mag dan voor niets staan; indien onvoldoende ontwikkeld is ze eerder een sta-in-de-weg. Dit is een beetje het geval bij 3D-cinema. De methoden om driedimensionale films op te nemen en te vertonen, staan tot op zekere hoogte nog steeds in de kinderschoenen. Wel wordt hard gewerkt aan verbeteringen en is er al veel bereikt.
3D-camera
Een 3D-film maken is niet eenvoudig. De productiekosten liggen niet voor niets tien tot twintig procent hoger dan bij een normale film. Bij een computergegenereerde animatiefilm valt het nog mee. Deze is immers al in 3D ontworpen en het 'driedimensionaliseren' ervan vergt enkel meer computeruren. Maar het filmen van live actie is een ander verhaal. Daarvoor moeten twee camera's zorgvuldig worden gecoördineerd, waardoor bewegen en inzoomen lastig is.
Natuurlijk wordt gewerkt aan gebruiksvriendelijker 3D-camera's, onder meer door Pace Technologies. De 3D-camera's van dit bedrijf zijn veel handzamer dan de grote, logge exemplaren van weleer. "De 3D-camera was altijd van het formaat van een Volkswagen Kever, maar nu kun je er alles mee doen", illustreert Doug Schwartz, maker van de tv-serie Baywatch en nu voorzitter van een mediabedrijf dat kleinere 3D-filmprojecten ontwikkelt.
Onder water filmen, inzoomen, handheld-gebruik en bevestiging aan een kraan; volgens Schwartz is het met de moderne 3D-camera's allemaal mogelijk. Dankzij technologie van Quantel kan een filmmaker zijn opname bovendien ter plekke in 3D terugbekijken.
Het bewerken van de opnames is lastiger, omdat er nog een gebrek is aan goede bewerkingstools voor 3D-films. In een 2D-beeld kunnen storende elementen zoals stroomkabels redelijk eenvoudig worden verwijderd. Maar een dergelijke reparatie in een 3D-film is veel gecompliceerder. Iemand die er met een speciale 3D-bril naar kijkt, zal de aanpassing zien.
Oogmoeheid
Op het gebied van 3D-filmvertoning hebben de technici niet stilgezeten, zo
schreven we dinsdag al. Er zijn inmiddels verschillende moderne technieken beschikbaar, waarvan Real D de bekendste is. Concurrent Dolby 3D beleeft volgende maand haar Amerikaanse première in de vorm van de film Beowulf. En dan is er nog het Koreaanse bedrijf Masterimage, dat met een alternatieve benadering terrein probeert te winnen.
Het uitgangspunt van de drie methodes is altijd hetzelfde. De kijker krijgt tegelijkertijd twee beelden voorgeschoteld; één voor zijn linkeroog en de ander voor het rechteroog. De beelden bevinden zich iets uit elkaar. De hersenen bouwen dan zelf de derde dimensie op.
Zowel Real D als Dolby 3D maken, om de illusie van diepte te geven, gebruik van 3D-brillen. Ook wat dat betreft is er eigenlijk weinig veranderd, maar gelukkig is er wel veel verbeterd. Door in korte tijd heel veel beelden te tonen, wordt flikkering bijvoorbeeld tegengegaan. Daardoor treedt er geen oogmoeheid op zoals in de jaren vijftig en zeventig.
Een andere belangrijke technologische vooruitgang is dat er geen twee projectoren meer nodig zijn voor de vertoning van één film. De beelden voor het linker- en rechteroog worden tegenwoordig al bij de projector gescheiden.
Real D stuurt het licht twee kanten op middels een elektronisch filter - een zogenaamde
Z-screen-lens. Die wordt voor de digitale projector gemonteerd. Bij de Dolby 3D-technologie wordt het licht gescheiden met behulp van een draaiend wiel ter grootte van een cd. Dat wordt tussen de lamp en de digitale projector geplaatst. Masterimage gebruikt ook een wiel.
Voors en tegens
Elke technologie heeft haar voor- en nadelen. Zo zijn de 3D-brillen voor Dolby 3D lastig te maken en daardoor duur. Op dit moment kosten ze circa vijftig dollar, hoewel die prijs naar verwachting nog daalt. De brillen moeten na gebruik worden ingeleverd voor hergebruik - een automatische wasbeurt is daarom nodig. Al met al een heel verschil ten opzichte van de wegwerpbrillen van Real D, die slechts vijf dollarcent kosten en met afbeeldingen van de vertoonde film kunnen worden bedrukt.
Dolby 3D heeft dan weer het voordeel dat bioscopen er geen speciale schermen voor hoeven aan te schaffen. Het conventionele witte doek volstaat. Dat betekent dat een 3D-film ook in kleinere zaaltjes kan worden vertoond, wanneer deze al wat langer in de roulatie is. Real D vereist daarentegen dat bioscopen speciale
silver screens installeren. De kosten van zo'n doek worden door JP Morgan geschat op zo'n 5.500 dollar per stuk. Real D lijkt aan de andere kant wel weer geschikter voor vertoning op zeer grote bioscoopschermen.
Ouderwets
Volgens Aaron Parry, directeur van filmproductiebedrijf Main Street Pictures, staan beide rivaliserende technieken eigenlijk nog in de kinderschoenen. "Ze zullen de komende paar jaren radicaal veranderen." Misschien is het slim om vooral te focussen op het overbodig maken van de 3D-bril, zoals Masterimage doet.
Want voor veel mensen vormen die brillen een hindernis. Ze worden "ouderwets" en irritant gevonden. Dat blijkt ook uit
reacties op het eerste artikel uit deze reeks. "Ik zie me echt niet met zo'n 3D-brilletje een hele speelfilm uitkijken", brengt een lezer bijvoorbeeld te berde. "Zolang een brilletje nodig is, wordt het echt niets."
Met een bijdrage van Stephen Shankland, CNet.
bron: ZDNet.com
Gerelateerde artikels op FWDMagazine.be