Met deze verbluffende audiovisuele trip maakte Stanley Kubrick niet alleen een filmadaptatie van Arthur C. Clarkes roman die wellicht béter is dan het boek, hij schroefde in één klap het hele sf-genre vast op zijn sokkel. De majestueuze sets van deze film stonden model voor een hele heerschaar aan space opera-films die de twee volgende decennia in de cinemazalen zouden landen.

Archeologen en geschiedkundigen hebben iets cruciaals over het hoofd gezien in 2001: A Space Odyssey: blijkbaar is er een zwarte monoliet die een sleutelrol speelt in de evolutie van de mensheid. In het begin van Kubricks meesterwerk zien we die mysterieuze brok boven de prehistorische mens uittorenen, en hem veranderen van een vreedzame planteneter in een moordende carnivoor.

Maar het verhaal begint pas in de late twintigste eeuw en daarna nog een paar decennia later, wanneer de ondertussen intellectueel en technologisch geëvolueerde mens op onderzoek gaat naar andere monolieten, respectievelijk op de Maan en in de buurt van Jupiter.

Het is tijdens dat laatste luik van deze bijna tweeëneenhalf uur durende film dat ook het element bovenkwam waarmee Kubrick het hele genre doordrong: de strijd van de mens tegen zijn eigen creatie, in dit geval de iets té intelligente boordcomputer HAL.

Let vanzelfsprekend ook op de soundtrack. Kubrick had in eerste instantie de Amerikaanse componist Alex North ingehuurd om een originele score te componeren, maar die werd uiteindelijk gedumpt voor een compilatie van klassieke muziekstukken - waaronder het onvermijdelijke Also Sprach Zarathustra - die Kubrick zelf in elkaar had gedraaid om aan te geven welke toon hij bij iedere scène wilde.

Maandag 22 juli op TCM om 21u00