VIJF, ZES, ZEVEN
De filmindustrie heeft steeds een voortrekkersrol vervuld als het om het inzetten van meerdere geluidskanalen gaat. In de (thuis)bioscoop hebben we dan ook al een resem verschillende surround-formaten de revue zien passeren – voornamelijk ontwikkeld door Dolby en DTS – waarbij de geluidskwaliteit en/of het aantal kanalen telkens toenam.

Tegenwoordig is vooral het van dvd bekende Dolby Digital 5.1 de norm bij uitstek, op de voet gevolgd door DTS 5.1. Met vijf geluidskanalen en een extra laagkanaal is het mogelijk om een veel betere virtuele geluidsbubbel te scheppen.

Maar het kan altijd beter, dus experimenteerden Dolby en DTS met een extra back surround-geluidskanaal, respectievelijk onder de benamingen Dolby Digital EX en DTS-ES. Na een tijdje werd dat extra kanaal door fabrikanten van av-receivers en -processors in tweeën gesplitst, zodat we van 5.1 over 6.1 bij 7.1 eindigden. Deze 6.1- en 7.1-varianten waren nooit erg succesvol, en verloren na de komst van Blu-ray met zijn nieuwe, zogenaamde high definition surround-codecs veel van hun pluimen.


BLU-RAY

Omdat een Blu-ray-schijfje veel meer data kan bevatten dan een dvd, werd het mogelijk om meerkanaalssoundtracks verliesvrij – lossless in vakterminologie – op te slaan. En om dezelfde reden kan Blu-ray ook meer geluidskanalen herbergen.

In de praktijk maken producenten ook gebruik van die nieuwe mogelijkheden om de geluidskwaliteit op te krikken. In theorie kan die oplopen tot 192 kHz/24-bit, maar in de praktijk gaat het meestal om 48 kHz/24-bit-geluid. Dat garandeert een duidelijk superieure geluidskwaliteit in vergelijking met de Dolby Digital- en DTS-soundtracks van vroeger.

Met het aantal kanalen liep het niet zo’n vaart. Dolby True HD bijvoorbeeld, kan in theorie tot veertien geluidskanalen aan, maar in de praktijk hebben we nog geen schijfje gezien dat daarmee uitpakt. Maar goed ook, want de huidige lichting av-receivers zou zich geen raad weten met al die extra geluidskanalen.
 

gerelateerde items