Een goed detectiveverhaal zoekt niét naar de verblijfplaats van een verloren zoon of de identiteit van een moordenaar. Dat zijn maar instrumentele middelen om de echte speurtocht hapbaar te maken: degene die een licht werpt op de psyche van de lijdende voorwerpen in de intrige en - in de betere verhalen - die van de onderzoeker zelf.

Roman Polanski’s klassieker Chinatown uit 1974 doet een fikse en geslaagde gooi naar dat laatste door detective Jake Gittes (Jack Nicholson) te presenteren als een typische noir-held: het soort mannen die andermans geheimen plunderen terwijl ze vluchten voor die van henzelf. De film is wat dat betreft zwaar schatplichtig aan de romans van Dashiel Hammett en Raymond Chandler en zowat twee derde van alle films waarin Humphrey Bogart opdraafde tijdens zijn glorieperiode.

Maar waar het mysterie van de held in de meeste van die bronnen min of meer onaangetast bleef, is het in Chinatown de kijker die Gittes’ kop (de neus is andermans werk) mag openhalen terwijl hij vanuit een simpele verdwijningszaak verwikkeld geraakt in een corruptieschandaal.

Zaterdag 28 juli op VTM om 23u50