Vergeet erecodes en inwijdingsrituelen: wie toetreedt tot de Italiaanse maffia, kan op elk moment een kogel door de kop krijgen als hij zichzelf misbaar heeft gemaakt of zich heeft misdragen. Dood met de glimlach, gemoedelijke conversaties die ineens abrupt worden afgebroken met een pistoolschot: het zijn momenten die je meerdere keren tegenkomt in Martin Scorseses meesterlijke Goodfellas.

Maar het stopt ook meteen met een paar pistoolschoten, messteken en ingebeukte schedels. Scorsese pompte de spanning niét onnodig op door het verhaal naar een onvermijdelijke bendeoorlog te laten gaan. In plaats daarvan schetst hij een eerlijk portret van het leven van drie min of meer succesvolle gangsters (Ray Liotta, Robert De Niro en Joe Pesci) zonder noemenswaardige hiërarchische positie (ze blijven alledrie net onder het middenkader hangen), en hun uiteindelijke ondergang.

Goodfellas is vooral een technisch meesterwerk, want de film vertelt een bijzonder panoramisch verhaal voor de amper tweeëneenhalf uur die hij duurt. Best weinig om over liefst vier decennia te gaan. Maar Scorsese spaart zich de tijd voor een deftige tijdssetting uit door een reeks popsongs in de bijna continu op de achtergrond galmende soundtrack te blazen (van bubblegumliedjes in de jaren ’50 tot punkrock in de eighties).

Bovendien wordt de camera op bepaalde momenten bijna een personage, dat de hoofdpersonages achternaholt of zijn eigen observatieronde voert in een lang en zwierig travelling shot. Voer voor fijnproevers, ondanks het bij momenten brute geweld.

Vrijdag 22 juli, VT4, 23u40