Voor wie zoals ondergetekende ergens tussen 1972 en 1975 is geboren, zo merkte iemand ooit fijntjes op, naderden de vier ruiters die aan het einde van Indiana Jones and the Last Crusade de zonsondergang tegemoet reden meteen ook het zenit van de kindertijd. Het was een generatie die, toen deze laatste Indiana Jones-film in de zalen liep, stilaan zijn adolescentie insukkelde, en dus zijn fel door de Indiana Jones- en Star Wars-reeksen gekleurde wonderjaren achter zich liet.

The Last Crusade zette ook op gepaste wijze een punt achter de echte Indiana Jones-reeks: bijna twintig jaar later volgde nog het misbaksel Indiana Jones and the Kingdom of the Crystal Skull. Deze derde is ook de minste van de oude reeks, maar toont toch nog de tandem Spielberg/Lucas op zijn best.

Alleen al omdat ze alweer het hele concept hadden omgegooid. Raiders of the Lost Ark was een klassieke heldenfilm, Indiana Jones and the Temple of Doom balde de grand guignol van een volledige avonturenserial uit de jaren ’30 samen in één pretpakket van twee uur, en deze prent is zowaar een buddy movie. Daarvoor haalden Lucas en Spielberg de puik door Sean Connery neergezette vader van het hoofdpersonage tevoorschijn, en stuurden ze ook een aantal nevenpersonages uit Raiders mee op avontuur.

Samen gaan ze op zoek naar een artefact dat deze keer, in tegenstelling tot de Sankarastenen in Temple, géén excuuselement is: de heilige graal. Die brengt hen, na een lange prelude in het Amerikaanse binnenland (waar River Phoenix een portret van Indy als een jongeman mocht neerzetten), naar Berlijn en Tunesië, waar ze in een wedloop verzeild geraken met een nietsontziende verzamelaar in kunstschatten en die verrekte nazi’s.

Indiana Jones and the Last Crusade knoopt eerder weer aan bij Raiders dan bij de eerste sequel: veel exotische locaties, geen plotgaten, en alweer een finale waarin de booswichten niét ten onder gaan door de harde hand van het hoofdpersonage, maar door hun eigen hebzucht.

Maandag 12 augustus op VIER om 20u30