Een NAS – kort voor Network Attached Storage – is een toestel dat haast op maat van een digitale woning gemaakt lijkt te zijn. Het staat in voor de opslag van je bestanden en zorgt ervoor dat die centraal beschikbaar zijn voor alle toestellen in je netwerk. Waar je best op let bij de aanschaf van zo’n netwerkschijf lees je hier.
 

De term ‘NAS’ dekt een ruime lading. De meest eenvoudige toestellen zijn eigenlijk niet meer dan een behuizing met een netwerkaansluiting waarin plaats is voor een harde schijf.

Meestal draait zo’n NAS op een op Linux gebaseerd besturingssysteem - het is eigenlijk een kleine computer zonder toetsenbord of scherm - maar daar hoef je je in de praktijk weinig of niets van aan te trekken: het beheer en de installatie verlopen quasi steeds via een handige webinterface, een garantie voor meer gebruiksgemak. De NAS zelf sluit je op het netwerk aan met een ethernetkabel – rechtstreeks op je router of via een switch.

Een bijkomend voordeel van een netwerkschijf tegenover een computer is het beperkte stroomverbruik: bij modellen met twee schijven ligt dat meestal tussen tien en dertig watt, naargelang het prestatieniveau en gebruik. Een NAS is dus niet alleen een handige toevoeging aan je netwerk, maar ook een groene. 
 


Ingebruikname
Voor de opslagruimte zijn er twee scenario’s: soms is de harde schijf reeds ingebouwd door de fabrikant, maar in de meeste gevallen moet ze nog worden toegevoegd door de gebruiker.

Dat laatste is overigens een eenvoudig klusje dat niet meer dan vijf minuutjes duurt. Je pikt gewoon een compatibele 3,5-inch SATA-drive op bij je lokale computerzaak, schroeft de behuizing open, schroeft de schijf in de uitsparing en verbindt eventueel
nog twee kabeltjes met elke schijf.

Lees voor de aankoop van een schijf de handleiding van je NAS wel even door: de nieuwste twee en drie terabyte schijven worden niet door alle toestellen herkend, en sommige types schijven werken beter dan andere. De website van de fabrikant schept hier meestal duidelijkheid over.