De door Apple voorstelde iPhone SE kun je moeilijk een grensverleggende vernieuwing noemen. Aan de buitenkant is hij helemaal nog de iPhone 5s, terwijl de hardware aan de binnenkant nagenoeg gelijk is aan de iPhone 6s. 

Het vertrouwde uiterlijk van de iPhone 5s blijft dus bij ons, incluis 4 inch Retina-display. Zo is de iPhone SE niet enkel een goedkoper alternatief voor de iPhone 6s (met 4,7-inch scherm) en 6s plus (met 5,5 inch), maar ook een compactere. Nieuw is wel de roosgoud-kleur, die naast wit, zwart en goud komt te staan. 

Qua hardware is de iPhone SE opvallend verbeterd, waardoor de kloof met de iPhone 6s toch wel heel klein is geworden. Beiden gebruiken bijvoorbeeld de A9-processor en de M9-motionchip. Ook de 12-megapixelcamera aan de achterkant is op papier helemaal gelijk. De voorste camera is bij de iPhone SE wel van mindere kwaliteit (1,2 versus 5 megapixel).

Zijn er dan geen verschillen? Toch wel, maar ze lijken toch eerder details. Zo heeft het scherm van de iPhone SE geen 3D Touch, is qua netwerkmogelijkheden iets minder mogelijk en moet de SE een barometer ontberen. Maar dat lijken niet echt argumenten om de SE niet te nemen. Het scherm van de 6s heeft dezelfde scherpte (uitgedrukt in ppi), maar de contrastratio is bij de grote iPhone wel stukken beter. Maar ook kun je je afvragen of dat verschil zo cruciaal is.

De instapversie van de iPhone SE kost 489 euro, met 16 GB geheugen, waardoor Apple toch iets beter gewapend is tegen de nieuwe generatie middenklasser-Android-telefoons. De stap naar de volgende versie van de iPhone is behoorlijk groot: de iPhone 6 is nog beschikbaar en kost 639 euro, terwijl de iPhone 6s start aan 749 euro. 

Dat er niet echt een enorme kloof meer gaapt tussen de verschillende iPhone-modellen is wellicht een tijdelijke situatie, tot Apple een opvolger voor de iPhone 6s en 6s plus voorstelt. Traditioneel gebeurt die presentatie in september. Geruchten suggereren dat het nieuwe iPhone-topmodel niet langer uitgerust wordt met een hoofdtelefoonuitgang.

Vorige maandag presenteerde Apple ook een versie van de iPad Pro met een 9,7-inch scherm, die zich onder meer vanwege een uitgebreid audiogedeelte met vier speakers onderscheidt van de iPad Air 2. Er zijn nog andere nieuwigheden, maar het prijspunt (689 euro) in combinatie met de prijsverlaging voor de iPad Air 2 (dat nu 439 euro kost) maakt de meerwaarde niet helemaal duidelijk.