Laat je niet ompraten door die verzuurde diehards: Sean Connery’s zes Bondfilms uit de jaren ‘60 waren stuk voor stuk klassiekers (toch zeker de eerste vier), maar Roger Moore is de enige échte Bond. Hij sloeg de vodka-martini shaken, not stirred achterover tijdens liefst zeven Bond-prenten (al was hij tijdens zijn laatste, A View To a Kill, toch al stilletjes rijp voor de geriatrie), en bepaalde de laconieke stijl waarmee ook opvolgers Timothy Dalton en Pierce Brosnan aan de slag gingen.

In deze The Spy Who Loved Me, veruit de beste film uit Moores carrière als de Britse superspion, zette regisseur Lewis Gilbert bovendien een ware staalkaart van de hele Bondcanon neer: mooie vrouwen (Barbara Bach, mevrouw Ringo Starr, was een béést in 1977!), bombastische slechteriken (zoals de met vlijmscherpe tanden behepte kolos Jaws), en uitzinnige gadgets (die Toyota Celica die automatisch verandert in een duikboot). Hier en daar doet de film iets téveel zijn best om een Bondklassieker te zijn, maar dat laatste is goeddeels gelukt.

De film bracht de Bondreeks meteen terug op het élan van de eerste Connery-Bonds. Want die waren, voor alle duidelijkheid, òòk heel goed.

Vrijdag 8 juli, VT4, 21u05