Darren Aronofsky had geen betere hoofdrolspeler kunnen kiezen voor zijn The Wrestler dan Mickey Rourke, die - net als Randy 'The Ram' Robinson, de protagonist van dit bijtende drama - een paar keer gevloerd is geweest door het leven.

Dertig jaar geleden leek er geen einde te komen aan Rourkes succesverhaal. De acteur brak op zijn dertigste door met zijn rol in Diner, en reeg tijdens het daaropvolgende decennium - met Year of the Dragon, Nine 1/2 Weeks en Angel Heart als uitschieters - de successen aan elkaar. Tot hij aan het begin van de jaren '90 in een paar flops te verwerken kreeg (zoals een desastreuze remake van de Humphrey Bogart-klassieker Desperate Hours), en hij bijna vijftien jaar lang verbannen bleef naar het limbo van de straight-to-video-producties. Alleen bleef hij feesten als een Hollywoodster, en ging hij als late veertiger opnieuw professioneel boksen om zijn levensstijl te blijven onderhouden - ook al niet het beste idee.

Maar goed, terug naar The Wrestler. Daarin bevestigt Rourke de comeback die hij drie jaar eerder had gemaakt in Robert Rodriguez' Sin City, door een rol op zich te nemen die hem op het verweerde lijf leek te zijn geschreven. De troosteloosheid van de has-been, die in groezelige zaaltjes optreedt, in een caravan leeft, vervreemd is van zijn jongvolwassen dochter en het probeert aan te leggen met een stripteasedanseres: zo'n figuur kun je alleen maar spelen als je een grond van waarheid in je vertolking kunt steken.

Woensdag 24 april op Arte om 20u50 (meertalige versie)